Hendrik Wiegersma (1891-1969)
Hendrik Wiegersma en Ossip Zadkine

Hendrik Wiegersma and Ossip Zadkine, 1965
Photo: Ton Hartjens

Wiegersma's langdurige contact met Ossip Zadkine, een Parijse beeldhouwer van Russisch Joodse origine, is voor Nederland het belangrijkst: het zou althans me de de basis leggen voor de enorme populariteit die Zadkine hier na de Tweede Wereldoorlog ten deel zou vallen. Wiegersma verwerft van hem, behalve talloze krabbels, schetsen en andere werken, in totaal negen beelden en enkele gouaches. Met Zadkine en diens vrouw, de kunstenares Valentine Prax, onderhoudt hij een levenslang vriendschappelijk contact, waarvan onder meer nog 102 bewaarde brieven uit 1925 tot en met 1966 getuigen.

Zadkine, die sinds 1909 in Parijs woont, heeft er wel de vernieuwingen van het symbolisme, kubisme en expressionisme verwerkt. Zijn werk in de jaren twintig kenmerkt zich in het algemeen door een kubistische opbouw (waarbij verschillende aanzichten van een figuur in een beeld gecombineerd worden) en expressionistische vormvrijheden. Daarbij is het voor hem kenmerkend dat hij zijn beelden zonder voorstudies, direct uit steen of hout hakt, ge•nspireerd door het karakter van het materiaal.

Wiegersma wordt via de contacten van Van Rees op het werk van Zadkine gewezen. Uit de correspondentie blijkt, dat hij zich in 1925 voor het eerst per brief tot Zadkine moet hebben gewend en dan besluit tot de aankoop van een gouache. Ook heeft hij geinformeerd naar de prijs van Zadkines gebeeldhouwde koppen, waarvoor deze hem foto's met prijsopgaven stuurt. Met de door hem uitgekozen porfieren Mannenkop uit 1923, die Zadkine in februari 1926 toezendt, is Wiegersma erg tevreden: "De kop van Zadkine heb ik thuis; een zeer mooi suggestief kunstwerk, dat de eeuwen trotseert. Hij staat wel boven Kogan bij lang bekijken", schrijft hij op 7 maart 1926 aan Jan Engelman. Het grote verschil tussen de zachte, ronde verfijning van Kogans classicisme tegen over de harde, expressieve lijnen van Zadkine's kubusachtige kop wordt wel gevoeld, maar vormt geen bezwaar.

In de herfst van 1926 voIgt de persoonlijke kennismaking op Zadkines atelier in Parijs, waar Wiegersma tot de aanschaf van nog een beeld besluit: de twee meter hoge, gedeeltelijk beschilderde houten Waterdraagster (of Jeune fille a La cruche) uit 1920, die in kubistische stileringen uit een boomstam is gesneden. "De pop van Zadkine kwam ook; ze is ontzettend mooi", meldt Wiegersma op 16 oktober 1926 aan Engelman, waaraan hij toevoegt dat ook Piet Wiegman het werk bewondert. De nieuwe aanwinst krijgt een plaats in de huiskamer van De Wieger.