Hendrik Wiegersma (1891-1969)
Ossip Zadkine en Hendrik Wiegersma, 1965

Ossip Zadkine en Hendrik Wiegersma, 1965

In de herinnering van Wiegersma schept Otto van Rees (1884-1957) de omstandigheden waarin hij tot tekenen komt, maar is het Moissey Kogan (1879-1943) die de vonk doet overslaan.
Wiegersma heeft de vriendschap met Kogan zo lang mogelijk onderhouden. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gaat het contact verloren, wanneer Kogan berooid naar Parijs trekt.

Over het contact tussen Otto van Rees en Wiegersma is weinig bekend.
Een blijvende vriendschap is er niet uit voortgekomen. Toch hebben zij, ook na het vertrek van Van Rees uit Deurne, altijd gemeenschappelijke vrienden. De redactie van De Gemeenschap is zo'n raakvlak, het atelier van Ossip Zadkine in Parijs is een ander. Van Rees reist nog in de jaren vijftig vanuit zijn woonplaats Utrecht met de brommer naar Parijs om Ossip Zadkine op te zoeken.

Het komt dus op speculeren aan als we de artistieke relatie tussen beide heren willen typeren.
Die relatie moet er geweest zijn, om verschillende redenen. Op het moment waarop het "Dat kan ik ook wel!" van Wiegersma klinkt, moeten zij elkaar al wat langer hebben gekend. Tijdens zijn bezoeken aan het Klein Kasteel merkt de dokter al eerder de schilderijen op en heeft hij waarschijnlijk ook het levensverhaal van Van Rees aangehoord. In 1923 schildert die het portret van Nel Wiegersma.
Ervan uitgaande dat Hendrik destijds niet of nauwelijks op de hoogte is van de moderne kunst, moet Van Rees als mentor of minstens als wegwijzer hebben gefungeerd. In elk geval is Van Rees de schakel die Wiegersma verbindt met de journalist Pieter van der Meer de Walcheren, met kunstenaars als Kogan en Zadkine, met de dichter Charles Albert Cingria (1883-1953), de filosoof Jacques Maritain, met Albert Kuyle en Albert Helman uit de kring rand De Gemeenschap, misschien ook met Joep Nicolas (1897-1972).

Wiegersma doet snel zijn voordeel met deze nieuwe contacten. Minstens een van hen - Joep Nicolas (?) heeft de criticus Plasschaert op het werk van Wiegersma geattendeerd. In diens monografie over Hendrik Wiegersma van 1933 begint hij 'Aanhangsel IV: tentoonstellingen' met: "Hij stelt voor het eerst ten toon bij Kleykamp in den Haag, in 1925, op een expositie door mij georganiseerd." Helemaal nauwkeurig is dit niet; de kritieken op deze expositie verschijnen pas in februari 1926. In oktober 1925 kunnen de lezers van De Maasbode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant al kennis nemen van een expositie van de Katholieke Kring in Rotterdam, waaraan zowel Van Rees als Wiegersma deelnemen.
Plasschaert neemt geen werk van Van Rees in zijn tentoonstelling op. En in zijn verslag "Bij Wiegersma in Deurne" dat op 10 februari 1926 in de NRC verschijnt, noemt hij Deurne "het dorp van de Wiegersma's". "Amsterdam en Parijs zijn twee uiteinden van de stralen, die van dit Deurne uitgaan", schrijft hij daar ook, zonder te vermelden dat het Otto van Rees is die deze stralen op Deurne heeft gericht.

Van Rees heeft van de enkele jaren in Deurne een erfenis nagelaten die voor de Nederlandse kunst, en voor Hendrik Wiegersma in het bijzonder, veel heeft betekend. Waarom hij daarvoor nooit de eer heeft gekregen die hem toekomt, is onduidelijk. Misschien is de wederzijdse waardering niet tot vriendschap uitgegroeid? Vriendschap betekent alles in het leven van Hendrik Wiegersma, en daarin kiest hij voor zwart of wit. Verschillende kunstenaarsvrienden maken in de jaren twintig kunstwerken in of aan het huis De Wieger. Na de breuk met Joep Nicolas in 1930 worden zijn glas-in-loodramen echter rucksichtslos verwijderd. Een wandschildering met de heilige Christoffel van Van Rees aan de achterzijde van het huis, wordt omstreeks diezelfde tijd weg-gestuct voor een glazen erker op die plaats. Betekent dit dat beide kunstenaars ruzie hebben, of dat de waardering is weggeebd? Het is niet bekend. De wandschildering komt bij de restauratie van het huis in 1976 weer aan het licht.

De invloed van Van Rees op het ontluikende schilderstalent van Hendrik Wiegersma hoeft niet uitsluitend uit de omstandigheden afgeleid te worden. Ook rechtstreeks, in een aantal vroege schilderijen, is die ondubbelzinnig vast te stellen. Aan het begin van zijn schildersloopbaan is bij Hendrik Wiegersma dezelfde mengvorm van kubisme en expressionisme te vinden als bij Van Rees. De voorstelling wordt opgedeeld in vlakken die elk een verloop van licht naar donker kennen, zodat een plastische werking ontstaat.
Sommige doeken zoals de Intocht in Jerusalem hebben een drukke opbouw die aan de randen wordt afgesneden - iets wat Wiegersma later nooit meer zou doen, maar wat bij Van Rees al veellanger voorkomt. Wiegersma schildert berglandschappen die herinneren aan de afbeeldingen van de Monte Verita en de Monte Trinita bij Ascona, waarnaar Van Rees ook in die jaren regelmatig afreist. Enkele portretten tenslotte lijken rechtstreeks ge•nspireerd op Van Rees. Een Portret van mevrouw W dient als voorbeeld, maar vooral het Portret van Jaap en Pieter, waarin Hendrik zijn oudste zoons vereeuwigt. Dit schilderij, afgebeeld in De Gemeenschap in 1926, zou voor een Van Rees door kunnen gaan. De zoete gezichtjes, de manier waarop met enkele vegen tekening en schaduw wordt aangebracht in het haar en de kleding, en de drukke achtergrond, zijn stijlkenmerken die ver afstaan van wat we nu als 'een Wiegersma' herkennen.
Er zijn niet veel voorbeelden van deze be•nvloeding. Ze blijven bovendien beperkt tot de eerste jaren van Wiegersma's kunstenaarschap. Maar ze dragen bij aan de conclusie dat Otto van Rees het spoor heeft uitgezet waarlangs hij zijn kunstenaarschap zou vinden, en bovendien vele van zijn vriendschappen en menige aanzet voor zijn kunstverzameling.

Rob Smolders