Hendrik Wiegersma (1891-1969)
Hendrik Wiegersma en Jan Engelman, 1955

Hendrik Wiegersma en Jan Engelman, 1955

Het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (NLMD) in Den Haag bewaart een kleine tweehonderd brieven en briefkaarten van Hendrik Wiegersma, Nel Wiegersma-Daniels of beiden aan Jan Engelman. De meeste zijn van de hand van Hendrik. In de loop der jaren groeit Nels aandeel wel, ook inhoudelijk: ze neemt dan meer een eigen positie in tussen de twee vrienden, beiden wat je noemt mannen met gebruiksaanwijzing. Daarnaast is zij het die allerlei praktische en huiselijke zaken behartigt. De brieven bestrijken de periode 1925 tm 1958. Ze zijn ongelijk over de jaren verdeeld: de meeste zijn uit 1925 - 1937, terwijl sommige andere jaren helemaal niet zijn vertegenwoordigd. Ik neem weI aan, zeker voor de latere tijd, dat niet alle brieven bewaard zijn, en dat de telefoon en de leeftijd - minder lust tot brieven schrijven - hun werk gedaan hebben.

Er bevinden zich in het familiearchief in Deurne slechts vijf brieven van Engelman. Wel bevat het een uitvoerige brief van hem aan Pieter Wiegersma en zijn vrouw Flossy d.d. 25.2.62, afschriften van nog eens twee brieven van Henk Wiegersma en een van Engelman, uit 1961 en 1962.

In deze brief van 25.2.62 noemt Engelman 1925 als het jaar van hun kennismaking. Ze had dus plaats kort nadat Wiegersma begonnen was met schilderen. Deze bereikte in dit jaar de vierendertigjarige leeftijd. Jan Engelman, geboren op 7 juni 1900 te Utrecht en altijd Utrechter gebleven, was dus aanmerkelijk jonger Na de HBS was hij in de journalistiek gegaan. Hij werkte in 1925 bij het katholieke Utrechtse dagblad Het Centrum - in 1932 zou hij overstappen naar het landelijke katholieke dagblad De Tijd, waarvan de redactie in Amsterdam zetelde. Zijn terrein was de literatuur en de beeldende kunsten. Als dichter was hij in 1925 nog maar in beperkte mate bekend door publicaties in letterkundige tijdschriften, waaronder Roeping en zijn 'eigen' Gemeenschap. De vroege gedichten, waaruit hij zijn eerste bundel Het Roosvenster zou samenstellen (1927), verrieden nog weinig van de latere sensuele melodieuze individualistische katholieke estheet2 van de Tuin van Eros die hij spoedig zou worden, en als hoedanig hij erkenning als groot dichter zou krijgen, hoewel in de katholieke wereld de ergernis om de Eros niet uitbleef. Op dit moment nog paste zijn poezie eerder bij de humanitair-expressionistische en brave lyriek van Roeping.

Engelman was de eerste kunstcriticus die aan de kunstenaar Wiegersma een beschouwing wijdde, in De Gemeenschap van november 1925. De oudste bewaarde brief van Wiegersma aan Engelman, nog uit november 1925, ademt al meteen een sfeer van vertrouwdheid.