Hendrik Wiegersma (1891-1969)
Hendrik Wiegersma, Tegen Den Draad In, 1950

Tegen Den Draad In, 1950

De heel consequente levensbeschouwing ligt ten grondslag aan Wiegersma's opvattingen over kunst, over het ontstaan van de mens en zijn immanente kunstuiting. Daarom is een samenvatting van zijn geschriften relevant. Zijn praktijk als arts en zijn kunstenaarschap worden door die levenshouding gemotiveerd. Het gaat dan ook niet om de wetenschappelijke, filosofische of kunsthistorische juistheid van zijn denkbeelden.

Zijn standpunten over het ontstaan van de mens uit zijn eerste boek De Uitingen des Levens uit 1925 formuleert hij opnieuw en heel consequent. Hij poneert die zelfs met nadruk in zijn laatste publicatie De Menschwording ruim veertig jaar later, anderhalf jaar voor zijn dood.

De boeken over 'volkskunst' zijn vooral opmerkelijk, omdat deze inzicht geven in zijn opvatting dat het 'expressionisme' feitelijk de oervorm is van aile kunst. Tekeningen van kinderen, van schizofrenen en de rotsafbeeldingen van de paleolitici in Zuid Frankrijk en Spanje laten het expressionisme al in zijn originele en oudste vorm zien. Latere 'stijlen' en 'stromingen' beschouwt Wiegersma slechts als interessante en vernieuwende specialismen.